vrijdag 10 augustus 2012

High and low and inbetween


Ik bevind me thans in Huaraz, zowat 8 uur noordwaarts van Lima, en daar zijn goede redenen voor.


Als je eens echt iets depressiefs wil meemaken, probeer het volgende eens. Eerst werk je een maand of 2 in een zinnig project, vol ideeen, creativiteit, zonnige dagen, dromen en opgewekte kinderen.


















Een plek waar kinderen en families, soms in tegenstelling tot jezelf, er wonderwel in slagen om de ellende die hun om de oren slaat niet te diep in de ogen te kijken, maar moedwillig aanvaarden en er, met horten en stoten, blutsen en builen, toch rondom heen weten te manoevreren,

...ja soms zelfs rondom heen weten te dansen.



Waardoor hun glimlach er soms - dat merk je op, want je kent hen al wat beter- bijna uitgeperst wordt, maar toch oprecht is en meteen veel meer licht en warmte uitzendt dan 1000 schitterende zonnen samen


(al kan ik dat laatste niet met 100 procent zekerheid stellen, daar ik zowat halverwege het boek er de brui aan gaf, want het frustreerde me dat ik niet alles begreep in het Engels).



Bon, dan, omdat het tijd is, vertrek je naar Lima, en begin je weer meer in de ik-persoon te leven.

Lima in augustus kan ik iedereen die zijn gevoelsleven reeds ontdekt heeft, afraden.
Een enorme mastodont, een bulderend mega-organisme vol beton en allomtegenwoordige grijsheid, met in die zone waar ik als buitenlander wel kan rondlopen zonder te flirten met een op mijn voorhoofd gerichte blaffer (Miraflores), heel veel non-plaatsen. Het gaat hierbij voornamelijk om straten vol imperialistische multinationals (Kolonialisme Revisited, maar daar wil ik u nu niet mee lastigvallen) die met hun enorme neonlichten de zon, die in Lima in augustus nimmer door het grijze wolkenpak doordringt (en het ook niet eens meer lijkt te willen proberen) noodgedwongen trachten te imiteren, een ander soort zon, maar hierbij een volslagen mismaakte, misselijkmakende indruk oproepen, een aanslag op mijn maag en, welja waarom ook niet, op mijn Gehele Menselijke Integriteit.

Al snel in de mot hebbend dat, zoniet de Gehele Mensheid, dan toch minstens ik er hier niet vrolijker van zou worden, boekte ik een nachtbus naar Huaraz, waar zich - van horen zeggen- de hoogste bergen van Latijns Amerika bevonden. Mijn poetische kant zag het al voor zich: hun eeuwige sneeuw, verguld door het zonlicht onder een blauwe lucht, rustgevende piramides waar je zo wat tegen aan kan gaan liggen, serene reuzen die je koelte toewuiven, veraf maar toch dichtbij.

En het mooie was: het was ook exact zo.



Ofschoon mijn budget het niet echt toeliet ("maar dan skip ik de gletsjertour wel, gletsjers kunnen me, als ik even heel eerlijk met mezelf ben, deze dagen, misschien wel gestolen worden") stond, nam ik mijn intrek in een hotel, met groot bed, badkamer en televisie en zal ik morgen, als ik het hier in Huaraz weer voor bekeken hou, met de glimlach Carlos de sympathieke gastheer 15 soles meer betalen voor het uitzicht op de rustgevende, serene,...etc bergen. Bergen die een positieve uitwerking hebben op mijn emotionele gesteldheid en die ongetwijfeld heilzaam zijn, en zalvend voor Lichaam en Geest. Want Antoine de St-Exubery wist het al: als je de baobab-bomen niet dagelijks wat bijsnoeit gaan ze woekeren, wat een probleem kan opleveren als je planeet de grootte heeft van een knikker.

Mijn enige doelstelling voor mijn verblijf hier in Huaraz was de bergen zien.


En die doelstelling was al na een drietal seconden vervuld.

Wat me een triomfantelijk gevoel bezorgde en me ook meteen ontsloeg van de verantwoordelijkheid om, weet ik veel, de dagen hier tot het uiterste te plukken (die Carpe Diem-stress, ken je hem?), om van gletsjers te roetsjen, om me in gehuurde North Face equipage door de lokale gringo-expeditie tot op 6000 meter omhoog te laten takelen, of die "Levensveranderende Wij-Weten-Wat-JIJ-Wilt" Mountainbike trip Onder De Sterren (dragers en barbecue inbegrepen) live life to the fullest te beleven.

Een wandeling in mijn eentje over de Cordillera Negra, met zicht op de Cordillera Blanca was hier zowat mijn enige uitstap. Een uitstap waarbij ik zo maar wat over akkers en velden zwierf, naar beneden, terug richting de stad, en het onderwijl allemaal maar wat aankeek, watervalletjes, vogels landerijtjes, boeren, dolle honden (2 x moeten wegduiken en 1x met stenen moeten smijten)


...en een surrealistische ezel


...en, kauwend op een overeengekomende patat die ik gekocht had van een boer die toch wel een fooi wilde omdat ik zijn landgoed betrad, plots beseffend dat de zon al verdacht laag stond, en de stad er niet dichterbij op kwam en de wijze raad van de passanten " 's nachts kunnen er hier inderdaad wel struikrovers opduiken" niet in de wind slaand, waardoor ik een minibusje indook dat hortend en stotend terug bolderde naar de binnenstad alwaar ik tevree in m'n bedstee rolde.

Waarmee ik niet wil zeggen dat ik het allemaal niet neig ofzo zou vinden, al die hippe attracties, alleen: het hoeft me thans allemaal niet meer zo flitsend.

Misschien komt het omdat ik 2 maanden volkomen on-flitsend geleefd heb. On-flitsend, in die zin dat het niet in schreeuwerige letters of lichtreclame, voorafgegaan door " The Most..." in een uitstalraam toeristen zal lokken.

In de Jardin de Ninos, in Los Nogales, geeft Helping Hands al 5 jaar kosteloos onderwijs voor kindertjes van 3 tot 5 jaar oud, komend uit verpauperde, en vaak gebroken gezinnen. In totaal ging het hierbij om 185 kinderen, waarvan er nu dus nog zo'n vijfenveertig in de 2 klasjes zitten.












Van Mario had ik op een avond wat statistieken gekregen over de schoollopende kinderen van de afgelopen 5 jaar. Hoewel dat er misschien helemaal niet toe doet, kreeg ik kippenvel en voelde ik me een beetje zoals Amelie Poulain, op het moment dat haar hart als een plas water op de grond van het station neerslaat.


Van al deze 185 kinderen, over de 5 jaar heen, hebben amper 24 een familie met een stabiel inkomen, waarvan de ouders tussen tussen 154 en 370 euro verdienen en zonder teveel zorgen ziek mogen worden. 102 families hebben slechts af en toe werk (kuisen, auto's wassen, flessen verzamelen,...) en verdienen tussen 2 en 3 euro per dag.

In 76 families zijn de ouders alcoholiekers, zonder werk.



















In 95 families lijden de moeders onder fysich en emotioneel geweld van een gewelddadige partner. Is een pest hier, in Latijns-Amerika, gewelddadige partners. Uit een pschologische test kwam ook naar boven dat alle (alle!) kinderen te lijden hebben onder hardhandige en scheldende ouders.


54 kinderen slapen samen met al hun broers, zussen en ouders in een en dezelfde kamer.











140 zijn chronisch ondervoed.















Onder de negatieve penseelstreken van deze statistieken valt David. Vier jaar oud en veel te mager, en zich dagelijks zo'n veertig keer om velerlei redenen de snottebellen uit de neus huilend, maar tegelijkertijd ook voortdurend Heel Veel Dingen Die Niet Mogen doend, die dan op hun beurt weer huilbuien genereren. Van veld naar veld springend, maakt deze kleine bengel zich hierdoor ook niet meteen bijster populair bij zowel zijn medeleerlingen ("iemand hier onder het klimrek nog wat bloed onder de nagels over?"), als bij de vrijwilligers als ik die, met pikhouwelen de aarde te lijf gaand, het vliegtuig dat hij op dat moment speelt keer op keer moeten weerhouden om niet over onze levensgevaarlijke werf te komen zweven.

Of hem op gedecideerde wijze moeten verbieden om op onze kostbaar bijeengemetselde, zij het nog fragiele muur te komen benenbengelen, ookal toont hij ons, stralend wijzend naar een pagina uit een magazine, de 5 auto's die hij bezit.

Op een keer, toen het me half te veel werd toen hij als een kamikaze rondfladderde tussen Gereedschap dat Pijn Kan Doen, nam ik hem even terzijde om hem op de ernst van de situatie te wijzen. Hij beschermde hierbij instinctief zijn verontrustte gezichtje en zei: "Alsjeblief, sla me niet". Ik bedoel, hoe kijk je dan?


(David is de 2de van rechts hierboven)

Gelukkig, als je hem een paar minuten later vraagt of hij, naast auto's, toevallig ook geen vliegtuigen, of boten ter zijner beschikking heef, zegt hij meteen "Ja". Hij heeft er vijf. Van alle coole dingen heeft hij er vijf. David, een wonderbaarlijk kereltje. Altijd vliegend, high and low and inbetween.

Alexandra, vijf en me te pas en te onpas overstelpend met kussen.



















Fernanda, een smal dametje wiens kirretjes je al van heinde en verre hoort, enerzijds overal het hare van denkend en makend, maar anderzijds toch ook niet goed wetend hoe om te gaan met het feit dat ik haar steeds met een iets te luid geroepen "hola princessa" begroette.







Miriam, die om Joost-mag-weten welke reden op een dag besloot me toe te bedelen met de aanspreektitel "Conejo" (konijn).


Waarschijnlijk omdat ik zo snel kan lopen.












Onderwijl moest er veel werk opgeknapt worden, en - het moet gezegd- ik had een enorme fysische arbeidshonger. Dat was nog niet te vaak voorgekomen gedurende mijn 30 lentes (yep, het is zover) maar we leven om te ontdekken, nietwaar?












De afgelopen 2 maand ontdekte ik kanten van mezelf waarvan het leek dat ze voordien verborgen lagen te zonnebaden op braakliggend terreinen. Zo begon ik enorm te genieten van Hard Labeur, beuken in die aarde, Felix Timmermans heeft al voor minder een boerenpsalm neergepend. De oude groeten-en plantenserre en een karrenvracht aan aarde en Adobe - bakstenen moesten eraan geloven en plaatsmaken plaats voor een egaal speelpleinkoertje na een oververhit hak-, kap- en steekspel, dit laatste vaak tot gezucht van mijn medevrijwilligsters, die er de lol zo niet van inzagen en mijn motivatiespeeches "he meiden, als we in plaats van 3 kruiwagens er nog 4 vullen, zullen we vannacht supervoldaan slapen" niet meteen deelachtig waren. Af en toe kreeg ik het dan ook een beetje op mijn zenuwen als een van de deernen er iets te lang bij ging zitten, zich van geen arbeid bewust, en hierbij ook nog een air wist te verstuiven die pretendeerde "zo, het werk is hier af" terwijl ik zweetend als een rund me de hernia uit het lijf zat te schuppen. "Kan je misschien wat...euh... meehelpen?" was dan vaak mijn boude reactie of zulk divagedrag, een reactie waarbij ik me voor minder nobele doeleinden rotgeschaamd zou hebben, maar die ik in het geval van de kindertuin meer dan gerechtvaardigd vond.


We zijn geen 18 meer, en we hoeven elkaar geen Liesbeth te noemen en de aarde van de kindertuin gaat zichzelf niet wegschuppen, en je neemt maar genoeg pauzes.


Daarna begon de bouw van de nieuwe Invernadero (Serre), en dat gebeurde middels de miljarden plastic petflessen die we de afgelopen weken hadden gevuld met gravel, zand en gruis en dit op een wijze die flirtte met het randje van zowel de Zwakzinnigheid als het Zenboedhisme.








Zelf grote ogen trekkend van de adrenaline die dit bouwproject in mijn gestel teweegbracht, bevond ik me meermaals blootvoets ronddappend in "Barro" (leemachtige klei, een mengsel van aarde en water, dat als cement dient) om deze op enthousiaste en efficiente wijze te mengen, waarop ik dan wat later weer als een bezetene aan het metsen en flessenpuzzelen sloeg (inderdaad, nu je het zegt, een beetje zoals Noah met zijn Ark).

De uren verstreken snel, vaak zonder dat ik het opmerkte en dan plots stond de zon alweer laag en werden de schaduwen alweer langer moest ik mijn verscheurde T-shirt alweer aantrekken (want de avondkoelte trad in) en sloot ik de Jardin alweer af, met de 3 houten palen kruiselings en de plaat ertegenaan, vaak enkel nog in het gezelschap van Olivia, de enige-hond-die-mijn-hand-mag-likken, dit laatste helaas zonder enig positief effect uit te oefenen op mijn globale mening over haar soortgenoten, die pejoratief getint is, en dit ook zal blijven.

Richelle, een 19 jarige Amerikaanse groengevingerde (kan je dat zo zeggen?) hippie met wie ik meermaals in de clinch lag over zaken van huishoudkundige en -als je het op flessen trekt- bijwijlen communistische aard (“zou het kunnen dat je mijn melk aan het opdrinken bent, meid? O, en trouwens, dat is mijn broek die je daar aanhebt!”), maar met wie ik ook steeds achteraf op sympathieke wijze de vredespijp wist te roken, kwam op een gezegende avond haar wolk afgedaald met een grandioos idee: als we nu eens massaal bomen (haar terechte dada, af en toe gaf ze me dan ook een pakkerd zoals esotherische vrouwelijke veertigers met bomen doen, waarbij ik niet wist waar te kijken) aankochten en in en rondom de Jardin planten en zo de boel wat groener, wat gezelliger, wat smeuiger maken, en we vragen aan ons netwerk of ze een boom willen sponsoren. En we dopen heel de operatie “Trees voor Kids”.

Ik hoorde het spectaculair donderen in Keulen. Wat een ge-ni-aal idee! Zag ik hier een kar passeren?

Hop, erop gesprongen, met heel m’n lijf en leden. Evenwel, daar ik mijn netwerk in februari al had aangesproken voor 2 acties en daar een verheugende respons op kwam, wist ik niet goed of ik het wel kon maken om hen nog eens te overladen met een nieuwe actie. Maar, och, wat dondert het, dacht ik bij mezelf, van proberen is nog nooit iemand gestorven (tenzij je, uiteraard, dingen als de gifbeker of degenslikken probeert). Ik verspreidde de actie op grote schaal, ook bij mensen die ik al zo’n 10 tal jaar niet meer gesproken had. De reacties stroomden binnen op een wijze waarop de Amazonerivier jaloers zou worden en waren hartverwarmend.




Bedankt ElisaPeterMartjeFabriceMamaPapaMonikGasseDominiqueFilipReginaMikaelaJohannAnneliseOliverNikolYvesKoenSigridjeJefThomasKristelWillemPeterRubenSarahMarenGretelEdJudithPJLaetitiaLeenJeremieSofieSigNoraTarekAnneliesManteBrendaGrietMaartenLeenwoutersLouEmilieDiederikKrisLeenVDPSofieUytterhoevenFlorRekhaAlexMagdaKoenPaulineIneJoris

En ook de onbekende Amant Bossuyt. Wie me info kan verschaffen of de identiteit van deze milde schenker, laat het me weten!

Omdat het pas zo rond oktober terug begint te regenen in Cusco, zullen de bomen nog tot dan in de gloednieuwe Invernadero staan. Ze zijn allemaal voorzien van een naamkaartje en je kan hen steeds komen bezoeken. Het is enorm tof om te weten dat jullie en ik in Peru, in een kale, arme buurt, 223 bomen hebben gelanceerd. Een ganse bergflank vol, zo zie ik het toch voor me.












En wie weet, over een 10 tal jaar ofzo, als ik er nog eens passeer en door het woud kuier, als niemand me kan zien, geef ik er misschien toch eens eentje van de 223 een heimelijke pakkerd. Maar hou het stil.














Terwijl ik niet veel anders uitspookte dan werken en me terecht zorgen maken over de fuif die we aanstonds gingen organiseren (die niet meteen een schot in de roos bleek, waarop alle vrijwilligsters vrolijk in de wind waren en aan de mannerij sloegen, en ik het na een tweetal uur bibberend van de kou en de zielepijn voor bekeken hield), was het plots zover en ging ik 30 jaar worden.



De ochtend dat ik als prille dertiger (shit, het blijft ongepast klinken) wakker werd was een beetje onwezelijk, maar het werd een wonderbaarlijk mooie dag, met een feest in de Jardin voor ook de kleine vrienden en hun ouders, met taart –net niet in mijn gezicht gedrukt- en s’avonds een kampvuur met de vrijwilligers (met verse vis: het sympathieke Engelse artiestenkoppel Ryan en Amy en de Oostenrijkse Hannah) en met Mario en Rosa, een barbecue en sterren overal.



Ryan en Amy zijn twee toffe peren die de muur van het koertje (waar eens de vroegere Invernadero stond, zie je het voor je?) eens die gestukt was, van een artistieke, kunstzinnige “nuance” gingen voorzien. Een zeker je-ne-sais-quoi, in de vorm van een muurschildering. Ik had wat foto’s van Ryan’s werk gezien en was laaiend enthousiast.

Omdat we in Peru waren, moesten wat wachten op een stukadoor, die niet meteen uitblonk in communiceren en die maar niet opdaagde.




Om de hiermee gepaard gaande wanhoop tegen te gaan, en omdat mijn creatieve werkhonger weer begon te grommen, hadden we nood aan een nieuw project en dat kwam er al gauw, toen Ryan en ik besloten dat een muurtje niet zou misstaan. Zij het geen gewoon muurtje: het moest een “kronkelende, elegante composee worden, met een geborgen nuance, een onstuitbare, doch zachte oerkracht, op het randje van erotisch” (doch hou dat laatste stil, het gaat hier om een kindertuin jongens!).
Gaudi en Park Guell, laat me lachen!

Het was enorm grappig om, gezeten tussen de adobe modder en bakstenen, kunstzinnig uit de hoek te komen en met de neus omhoog in een denkbeeldige Canvasreportage plotsklaps dingen te beginnen verkondigen in de trent van “Weet je, in mijn werk vertrek ik altijd vanuit een oerimpuls, die zich heel concreet vertaalt in het gegeven “naaktheid”, waarbij het niet zozeer de daad, dan wel de drang wil veruitwendigen” en waarbij de andere vrijwilligers zich eerst een hoedje verschoten, alvorens grijnzend met het hoofd te schudden.










Op de laatste dag, luttele uren voor ik ging vertrekken naar Lima, liep ik –gearmd met een kater- nog naar de Jardin om de muur af te metselen.




















Braulio, 9 jaar “geboren op de dag van de arbeid joh” , een kanjer van een werkersbaas en mijn favoriet, was daar in zijn eentje cement aan het mengen en runde op ontroerende wijze en als een volleerd bouwvakker Zijn Bouwwerf tekeer.













Samen werkten we de artistieke muur af, de stilte slechts af en toe onderbroken door mijn vragen als met wie van je broers of zussen kom je het best overeen (“niemand, ze haten me allemaal”) of heb je wat vrienden op school? (“nee, enkel vijanden”) waarbij ik op het einde zei dat hij mijn goede vriend was (ik ook de zijne), dat ik hem ging missen (ja) en dat als ik ooit een huis zou bouwen in Europa, ik hem liet overvliegen om de klus te klaren (ok),

Een gesprek waarbij we allebei wisten dat het misschien niet helemaal waar was, dat het misschien niet helemaal zo ging uitdraaien als we zouden willen, dat we misschien gewoon maar wat zeiden, ...

...maar dat dat genoeg was, want sommige dingen kun je niet goed zeggen, zeker niet in het Spaans, tegen een 9-jarige uit Peru, met gaten in zijn schoenen, een dronken vader wat verderop en met nog zoveel dingen om te wensen.





zaterdag 7 juli 2012

The Machu Picchu Quiz


Een taal is nooit af. Dat zit er bij mij goed ingepeperd, sinds ik op m'n 16 de tijdens de examens, op een avond, zo rond etenstijd iets te enthousiast de trap afvlinderde en triomfantelijk uitriep "dat ik klaar was met mijn Frans" maar mijn vader daarbij droog opwierp dat "een taal nooit af is" alvorens me met een korte doch vastberaden kinneknik terug naar de vocabulaire, grammaire en passe composees in mijn kamer te verwijzen. Al wil ik hiermee niet zeggen dat mijn vader een authoritaire persoonlijkheid bezit die op de wanden van stemhokjes heimelijk "eigen volk eerst" krast , verre van. 

Nee, wat ik wil zeggen is dit: een taal is nooit af.

Balen uiteraard, dit axioma, maar ik realiseerde me het gelijk ervan, toen ik een dag of 2 geleden een Spaanse toespraak gaf voor de buurt in Los Nogales, op de "feestdag van de leerkrachten" (niet gelogen) en mijn voorbereide mopjes niet het verhoopte buldergelach teweegbrachten bij de goegemeente. Misschien bracht ik ze niet goed, kan ook, maar logischer lijkt dat mijn Spaans, ofschoon goed genoeg, nog steeds veel beter kan, zeker als het op komische nuances in de veronderstellende, toekomstige wijs aankomt.








Wat ook nooit af is, is het werk in een kleinschalige organisatie als Helping Hands in een ontwikkelingsland als Peru. Want ga maar na: in een buurt als Los Nogales waar het merendeel van de gezinnen met een handvol pleuro's moet zien rond te komen (kinderen, voedsel en helaas soms ook drank voor de echtgenoot inbegrepen) kan er altijd wel iets gedaan worden.

Noem iets, en het heeft zin. Een touw vastpakken en een eindje wegspringen met 4 kleutermeisjes bv, zodat hun ouders even kunnen uitrusten zodat ze zich daags nadien weer uit hun bedstee kunnen hijsen om op het land te gaan werken. 













Of Engelse les geven aan jeugd, waarbij elk onthouden woord een gewonnen woord is en zal zijn. 





Of ajuinen en pepers kopen bij Vicky, en niet bij de concurrentie. 

Bij Vicky dus, omdat haar man heel ziek is en dringend geld nodig heeft om zich te laten behandelen. En omdat hun zonen Henry en Christian helden van kerels zijn, en op een prachtige manier op hun tanden bijten, dwars door de familiale ellende heen, en toch nog lachen, en hun tol blijven rondtollen op de verharde aarde voor hun huis, baasjes die steeds al vanaf de verte op me toerennen, met in hun kielzog Olivia (de enige hond op aarde waarvan ik geen koortszweren op mijn kin krijg) terwijl Karen, hun oudere zus, een eindje verder het hele gebeuren met pretlichtjes opneemt en me in haar winkeltje elke dag even uitbundig blijft begroeten, alsof het nog steeds die eerste avond van mijn terugkeer is .


Met Henry

Of plastic flesjes verzamelen, die aan een weduwe wat verderop gegeven kunnen worden, die er - op 1 of andere manier via 1 of ander bedrijf- een habbekrats voor kan krijgen. 

Of die flesjes stomweg met aarde vullen en zo tot bakstenen transformeren die kunnen dienen voor de nieuwe "moestuin" die binnenkort naast de kleuterschool zal verrijzen. Noem iets, en het heeft zin.

Dit laatste werkje, het vullen van plastic flessen, is trouwens een heel neige bezigheid. Je zou het niet verwachten, maar het is op het randje van verslavend. Eerst zie je er enorm tegenop, kom zeg, wat een hersenloze nihil-arbeid, ik ben toch geen legkip aan een batterij, maar na een poosje begin je tactieken te bedenken om het goedje sneller en efficienter in die fles te krijgen, je merkt op dat hulpstukken sneller dan je handen werken, en zet muziek op, en verzamelt een bonte groep kleuters rond je en enthousiasmeert hen om samen zo veel mogelijk flessen te vullen, "hup hup, Abram is aan het winnen, piraten, wie o wie houdt hem tegen?" En naast je stapelen de flessen, de bakstenen zich op en krijgt de moestuin met elke ingekiepte korrel aarde een beetje meer gestalte.

En er is nog zoveel werk en het is nooit af. Er moet een keuken gebouwd worden (waar voedzaam eten voor de kids gekookt kan worden), er moet een groetentuin aangelegd worden, er moeten bomen gepland worden, er moet een extra klas opgericht worden (want anders worden de kleutertjes en hun ouders na 2 jaar aan hun lot overgelaten), er moet een voetbalstadionnetje gebouwd worden (samen met mijn broer), er moet Engelse les gegeven worden, er moet blijven gedroomd worden, er moeten peters en meters met wat extra duiten gezocht worden (voor de allerarmsten)


Er moeten medische campagnes georganiseerd worden, er moet gevochten worden tegen de ondervoeding, er moet een psycholoog-pedagoog aangetrokken worden (want het is spijtig genoeg alleen maar logisch dat jongetjes als Mikael, die we hiernaast zien, en die dagelijks de vuisten van hun dronken vader zien tekeergaan op hun moeders, op een gegeven moment in de hand van de hierdoor nog steeds getraumatiseerde Duitse vrijwilligster Almut bijt),


Er moet geld gezocht worden, veel geld (want de Peruviaanse overheid steekt niets toe en heeft het veel te druk met de onderhandelingen over mijnexplotaties), er moet een fuif georganiseerd worden (om de ogen te openen van de Machu Picchu toeristen en hen duidelijk te maken dat niet alles van goud is), er moet een quiz georganiseerd worden (De Grote Machu Picchu Quiz, werkt altijd, Machu Picchu toevoegen, "eerste vraag, voor 10 punten: 'hoe heet het monumentale bouwsel, dat begint met een M, hoog in de bergen, gebouwd door...etc', er moet blijven gelachen worden, er moeten snottebellen afgekuisd worden, er moeten peuters in de lucht gezwierd worden (vooral de kleine David- wiens broek steeds naar beneden zakt- hierbij niet over het hoofds zien of hij schiet vol van onrecht en zet het op een huilen)...


Er moet over gewaakt worden dat de afgedragen broek van de kleine, graatmagere David niet tot op kniehoogte zakt (en het onrecht hem niet naar het hart schiet), er moet getimmerd worden, nagels moeten rechtgetrokken worden (en ijzerdraad kan veel vasthouden), er moet positieve energie uitgezonden worden, signalen van hoop gegeven worden, er moeten door de moeders mutsen en sjaals gebreid worden (zonder lama motieven, en tegen een faire trade verkocht in Belgie),









Er moeten kleren opgehaald worden (en uitgedeeld worden in dorpen die lijden onder de nachtelijke vrieskou), 












Er moet cement gekocht worden, en af en toe taart, en een muziekinstallatie die werkt, een beamer, eentje maar, 

en een clownspak.
Wow, een clownspak. Een echt clownspak, dat zou helemaal te gek zijn.

Wat gerelativeerd moet worden, moet gerelativeerd worden.
Wat serieus genomen moet worden, moet bloedserieus genomen worden.



Sinds ongeveer een maand ofzo ben ik "projectverantwoordelijke vrijwilligers " bij Helping Hands, en dat is mijn eerste titel in Latijns-Amerika (hetgeen me deugd doet) en het is me menens.

Het feit dat het me menens is, vertaalt zich in 2 aspecten (of 3 als je de splinters in mijn handen meerekent). Ten eerste, en ik verschoot me een hoedje toen ik het bij mezelf opmerkte, moet de verantwoordelijkheid in mijzelf zich af en toe kwaad maken. Zowel huishoudelijk als werkgerelateerd: Aan de bel trekken, de kettingen doen rammelen. Krijtlijnen uitzetten. Andre, de zonderlinge godsdienstleerkracht uit het middelbaar die ons indertijd op ethische wijze door onze puberteit moest loodsen "Jongens, vandaag gaan we naar de dierentuin, naar de beren, naar de mastur-beren", wist het al: soms moet je de vrijheid inperken met regels om tot een grotere vrijheid te komen.


Een huishouden runnen, jongens, wie had dat durven piepen? Samenwonen met 7 vrouwelijke exemplaren, waarvan minstens een drietal nog lijkt te puberen en 1 a 2 op geregelde tijdstip ontoerekeningsvatbare signalen uitzendt, het is niet altijd een pretje. 70 procent van de huisvrede komt ook nog eens uit de Verenigde Staten van Amerika en dat alles leidt dus af en toe onvermijdelijk tot een breuk.






Dit laatste soms enkel in mijn oververmoeide hersenpan, die -zoals geleerd van zowel mijn ouders als Barmhartige Samaritaan- dan tot 10 moet tellen om zich vervolgens terug te trekken in mijn kamer en in Honderd jaar eenzaamheid, dat laatste godzijdank in gezelschap van Gabriel Garcia Marquez.










Ik heb het dan niet over het verschrikkelijke Amerikaanse accent of de gebrekkige woordkeuze (Mark Twain draait zich om in zijn graf, Huckleberry Finn durft zijn ton niet meer uit). Ik heb het eerder over het op onmogelijke tijdstippen panfluit proberen te spelen, volhardend in zenuwinzinkend gepiep op siestamomenten, of over het pikken van mijn brood en tomaten (net op het moment dat ik zin had in, welja, brood en tomaten), of over het systematisch niet-afwassen-van-gekookte-vunzigheden, over het "oeps" op-mijn-computer-gaan-zitten, over het maandverband dat vroeg of laat wel door iemand anders van de badkamervloer geplukt zal worden. 

Of over die momenten waarop ik en De Sereniteit opgeschrikt worden door een hysterische woordenzondvloed, 2 deuren verder, een Dolle-Mina-tirade die me steeds opnieuw een halve paniekaanval bezorgt, waarbij er aan een hels tempo en met heel veel "Awesome-s" en "It was like-s" een anekdote verhaald -wat zeg ik: gebruld wordt, waarin vaak adonisen de dienst uitmaken, als was het alle dagen Hollywood. En waardoor mijn sereen kabbelend beekje verandert in een draaikolk van doffe ellende en tandenknarsende zieletogendheid. 

Misschien eens wat opruimen, meiden? Letten jullie erop de kraan dicht te draaien, meiden? Iedereen 7 soles voor de kuisvrouw, meiden! Opstaan,meiden! Over 5 minuten vertrekken we, meiden! Kan het wat stiller, meiden? Hoe komt het dat jullie nu pas aankomen, meiden?

Samenleven. Te nemen of te laten.



De brooddiefstal (die gelukkig uiteindelijk gekanaliseerd kon worden door een zangstonde "Take my breath away") leidde er uiteindelijk toe dat ik de viltstift ter hand nam en er sindsdien een briefje op de koelkast prijkt dat verklaart "Please only eat your own stuff, we are not in the Middle Ages and none of us is rich". Nooit gedacht dat ik dat nog zou doen, dreigbriefjes met verwijzingen naar de middeleeuwen op koelkasten plakken.


Maar bon, op andere momenten valt het dan weer reuze mee met de meisjes, is het best gezellig, is een mopje nooit veraf en ben ik blij dat ik de grote broer kan spelen, en met genoeg WC papier om je handen gewikkeld kan er veel opgeraapt worden van badkamervloeren, toch? 

Bovendien is mijn vriendin Ritti (met wie ik hier al was in februari) hier ook weer neergestreken, en we kunnen het nog steeds, zij het in een andere setting, prima met elkaar vinden.














Omdat een Amerikaanse gozer wel de indruk weet te wekken met goede inborst gepassioneerd bezig te zijn met de apotheek van Helping Hands, maar er mijns inziens te weinig mee uitspookt, botsen we wel eens. Dat is prima. Als bemiddelaar meermaals ervaren: mensen botsen wel eens. Afgelopen maandag hadden we een verhitte discussie over vrijwilligerswerk. Onze meningen hierover staan nogal lijnrecht tegenover elkaar, wat vuurwerk garandeerde. Waar ik de bemiddelingsterm "vrijwillig, niet vrijblijvend" toegedaan ben, lijkt hij meer van het principe "je doet wat je wil en elke uitgereikte tandenborstel is tenminste een uitgereikte tandenborstel".



Ik had al laten vallen dat ik soms wat teleurgesteld was in het engagement van de meiden, die niet altijd werk leken "te zien" (hetgeen ik, met de bouwwerf die de kindertuin is, haast niet kon geloven) of niet leken te "willen zien" (hetgeen bij mij de vraag doet rijzen why the heck je dan voor vrijwilligerswerk kiest). Er volgde zowaar een discussie over werkuren en het aanpraten van een schuldgevoel. Beeld je in.


Toen de gozer van de apotheek daarna over over het accepteren van andermans opinies en waarden over vrijwilligerswerk (altijd een dooddoener, die waardenacceptatie: "als het Hitlers waarde was om Polen binnen te vallen, dan moet ik dat, ofschoon ik het er niet mee eens ben, wel accepteren") begon, kreeg ik het eerst heel kwaad ("m'n tweeloop! waar is m'n tweeloop?!") en daarna heel triest ( 3 euro's per dag, wat verderop, een minihuisje en 5 kinderen) en daarna heel eenzaam (zo'n 100 jaar). 

Maar achteraf, want ook dat is volwassen worden en de 30 komt in zicht, excuseerden we elkaar. 














Waardoor ik sindsdien dus geaccepteerd heb dat niet iedereen dezelfde prioriteiten heeft, niet iedereen de realiteit een oplawaai wil verkopen en de jardin tot een kasteel wil uitbouwen, dat heel wat werk niet af zal geraken, heel veel zaken wat langer zullen aanslepen, heel wat dromen misschien pas volgend jaar een aanvang zullen nemen. En dat het soms eenzaam is. Maar dat het me ook veel deugd doet, in de Jardin bij het vallen van de nacht nog een compostbak in elkaar timmeren en er bij kampvuurlicht "Hugo Compost" op schilderen, voorzien van ogen en een mond zodat de kinderen, wie weet, getriggerd worden om hun bananenschil aan Hugo te geven en niet tussen de chipszakjes in de ordinaire prullenbak te kiepen.



Wat me bij het 2de aspect van het feit-dat-het-me-menens-is brengt, en wat in nauwe correlatie ligt met het Verschrikkelijk Belangrijke Principe "Evenwicht". Vermits er altijd werk is, en de opportuniteiten voor het oprapen liggen (een corrida, een schijt-je-rijk, een tombola, een Quiz voor de gringo's, een voetbaltornooi in het centrum,...pak het vast) heeft mijn geweten - ongetwijfeld wat uitgesleten door de wekelijse katholieke, schuldbewuste kerbezoeken die ik tot mijn 12 lentes moest afleggen, en god zag altijd alles, groot en streng als een agent- het soms moeilijk met het principe Rust.

Want bekijk het maar, elke seconde dat je uitrust, of even niets doet, of een boek leest, of welja een blog schrijft, is een seconde waarin je zoniet extra kleren kunt gaan zoeken, dan wel aan iemand Engelse les geven, of een berg op koersen en hiervoor sponsors zoeken, of naar Microsoft schrijven of ze 'n beamertje kunnen missen, of naar Coldplay mailen (je weet nooit...). 

Begrijp je?








Maar gelukkig (welk genie heeft dit uitgevonden?) is het allemaal niet zwart-wit!




Waardoor ik dus al bij al een mooie, en vooral interessante tijd beleef, hier rondom Cusco, waar ik de regelnicht in mezelf terug in de armen sluit en mijn doelstellingen niet al te SMART tracht te formuleren om geen paniek te veroorzaken.

In een intense, warme buurt, met coole kinderen, mooie mensen en koude nachten. Met uitdagingen in het samenleven met andersgeaarden, met veel werk, van verschillende aard, met genoeg geduld.





Met de broers Armando en Braulio, 
















Waarvan de laatste altijd kijkt alsof hij net een dinosaurus om het hoekje ziet passeren.


















Met Rocio, tinkelender dan Tinkelbel.




Met 23 teenagers from the United States, who came for 2 days to put their hands uit de mouwen, en die me vertelden dat als ze betrapt werden op kussen, ze door de oerconservatieve leiding terug naar huis gestuurd werden, waarna ik hen, toen de leidster even niet oplette, tot algehele hilariteit liet zweren dat als ze verliefd werden, ze hun hart moesten volgen en in godsnaam: kussen die handel, we zijn op kamp in Peru, niet in de Middeleeuwen. Lachen toch.



Met de inauguratie van de nieuwe etage, waar, eens er weer geld binnengedrupt komt, we aan de bouw van een keuken kunnen beginnen.



Met tradioneel dansen om de leerkrachten te eren, in fantastische kledij, trotse kindertjes, trotse ouders.












Met wat verderop kleine dorpjes, waar het s' nachts bibberen van de kou is, en waar extra kleren meer dan welkom zijn.

















En met, altijd, wat verderop, een kasteel om te dromen. 



O ja, voor ik het vergeet: als iemand een beamertje op overschot heeft, laat het me weten, ik wandel met plezier richting Lima om het daar bij de Nationale Post te gaan ophalen. Of een clownspak, een clownspak is ook welkom. Alvast bedankt